vergroot

 

 

 

 

 

 
 

 

Hebban olla vogala (1100)

 

Bijna iedereen in Nederland kan schrijven.

Dat is nu heel gewoon.

Vroeger niet.

Vroeger konden maar weinig mensen schrijven.

En de mensen die schreven, waren vaak monniken.

 

Monniken wonen in een klooster.

Daar leven, werken en bidden zij.

 

Vroeger schreven monniken teksten en boeken.

Ieder boek en iedere tekst moest met de hand worden geschreven.

Boeken konden niet worden gedrukt in een fabriek.

De teksten en boeken werden gebruikt in de kerk.

 

Een monnik schrijft

met een veer.

De teksten waren heilig.

De teksten schreven zij in het Latijn.

Niet in het Nederlands.

Latijn was de taal van de kerk.

Het schrijven van een tekst was veel werk.

Het duurde erg lang.

Het was monnikenwerk.

 

In het jaar 1100 gebeurde er tijdens het monnikenwerk iets onverwachts.

Een monnik schreef een heilige tekst in het Latijn.

Maar tijdens dit werk deed hij iets nieuws en iets voor het eerst.

Hij schreef een tekst in het Nederlands.

Het was een korte tekst.

De monnik schreef:

"Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?"

De tekst is geschreven in het Nederlands van vroeger.

De tekst betekent:

"Alle vogels zijn al aan het nestelen, behalve jij en ik; Waar wachten we nog op?"

De tekst is belangrijk.

Het is misschien de eerste geschreven tekst in het Nederlands.

Het Nederlands wordt een taal waarin je kunt schrijven.